21 april 2015

Column Noeri van den Berg (Asva): Hoger Onderwijs in Amsterdam

Noeri v/d Berg (Asva studentenunie) Deze column sprak Noeri van den Berg (Amersfoort, 1991) als voorzitter van Asva Studentenunie uit tijdens een avond met Diederik Samsom op 21 april in Amsterdam Oost.

Hoger Onderwijs in Amsterdam

Er spelen grote onderwerpen binnen het Hoger Onderwijs in Amsterdam. In Amsterdam hebben we de twee grootste hoger onderwijsinstellingen van Nederland, de Hogeschool van Amsterdam, met 50.000 studenten en de universiteit van Amsterdam met 34000 studenten.
Deze instellingen zijn in hun dagelijkse praktijk bezig met het doen van onderzoek en het geven van onderwijs.
Maar dat gaat niet altijd even makkelijk.

Nederland heeft veel baat bij hoger opgeleiden. Een aantal jaar geleden werd de motie Hamer aangenomen waarin de ambitie gesteld werd om bij de top 5 kenniseconomie├źn ter wereld te horen.
En met de komst van het leenstelsel, of gezien dit een PvdA bijeenkomst is; het studievoorschot, is er meer geld beschikbaar gekomen voor het hoger onderwijs. Om de kwaliteit een impuls te geven, maar tegelijkertijd moet aan de toegankelijkheid geen afbreuk gedaan worden. We willen jongeren uiteraard zo goed mogelijk opleiden.

Maar met dat extra geld komt ook de vraag op wat we nauw eigenlijk financieren. Al dat extra geld kan natuurlijk niet in gebouwen verdwijnen, maar moet wel goed terecht komen. Onderwijs en onderzoek moet er beter van worden.
Maar zo eenvoudig is die kwaliteitverbetering nog niet aan te geven.

De Hogeschool van Amsterdam, de HvA, is permanent opzoek naar wat ze haar studenten moet leren. Zo stond de onderwijsconferentie twee weken geleden in het teken van futureproof onderwijs. Als hogerberoeps instelling willen ze wel de vaardigheden leren die in de toekomst nodig zullen zijn en die goed aansluiten bij de beroepspraktijk. Maar hoe die beroepspraktijk er over twintig jaar uit ziet weet niemand. De invloed van digitalisering en mondialisering zet het traditionele curriculum onder druk.
Verschillende vakken, of soms zelfs hele opleidingen, verdwijnen omdat ze geen toegevoegde waarde meer hebben in de beroepspraktijk.
In rap tempo worden andere vakken als computerwetenschap en Engels als standaard verplichte vakken gemaakt. Dit zijn de vaardigheden die we in de toekomst nodig zullen hebben. En zelfs afstuderen lijkt er niet meer bij te zijn, we moeten een leven lang leren.
Maar ook op de universiteit ontstond een discussie.
We hebben allemaal de beelden gezien van de bezetting van het Bungehuis, en al helemaal die van de bezetting van het Maagdenhuis.
Ik ben hier alleen niet om over de actie te praten.
Ik ben hier wel om te praten over de motivatie van die actie.

In Amsterdam hebben we een aantal hele bijzondere studies aan de Universiteit. Zo kun je alleen in Amsterdam Scandinavisch en Nieuw-Grieks studeren. Maatschappelijk zeer relevante studies. Want gezien alle moeilijkheden rond de Griekse staatschuld is het toch prettig als we met elkaar kunnen praten en elkaars cultuur begrijpt.

Maar helaas zit het financieringsmodel voor de universiteit er niet zo uit dat we de meest maatschappelijk relevante studies in stand houden.
Deze studies worden namelijk maar door een kleine groep studenten gevolgd. Een studie in de Oekraïne kan slechts op een handje studenten rekenen jaarlijks. Verschrikkelijk onrendabel kan ik u vertellen. En dus besloot de universiteit van Amsterdam dat deze onrendabele studies niet langer in stand gehouden konden worden. Niet omdat ze geen nut hadden, maar omdat ze te weinig op zouden leveren, over future proof onderwijs gesproken.

Gelukkig spraken studenten en docenten zich uit. Ze maakte zich hard voor hun studies en spraken zich uit tegen dit rendementsdenken.
Helaas echter wordt er naar de stem van studenten en docenten slecht geluisterd. De formele gesprekspartners van bestuurders, de studentenraden en de ondernemingsraden, hebben slechts adviesrecht op beleid. En zo braken grote protesten uit en hebben we afgelopen maanden de langste maagdenhuis bezetting ooit gehad.

Het gebrek aan inspraak brengt ons tot een moeilijk punt. De hogeronderwijs instellingen krijgen er misschien meer geld bij, maar moeten zich houden aan prestatieafspraken of diplomafinanciering.

Docenten en studenten lijken hier weinig aan te kunnen veranderen. Zij, de mensen die de ruggengraat van de institutie vormen lijken het grip op deze institutie verloren te zijn. De mensen die het dichts op kerntaak van het hoger onderwijs zitten hebben niets over de institutie te zeggen. Wie dan wel?