Nieuws

Chris Laarman: Moorsoldaten

2 augustus 2017

In dit artikel vertelt PvdA-lid uit Noord Chris Laarman over zijn bezoek aan Börgermoor en Esterwegen.

Dè maatstaf voor de tegenstelling tussen “wij” en “zij” is bij ons: Auschwitz. Maar het begon eerder. De folkies onder ons kennen waarschijnlijk het lied “die Moorsoldaten”, als “the Peat bog soldiers” (the Dubliners) of “de Moorsoldaten” (Rum). “Die Moorsoldaten” is geen traditional: de tekst is van Johann Esser (mijnwerker), bewerkt door Wolfgang Langhoff (toneelspeler), op melodie gezet door Rudi Goguel (verkoopmedewerker), en de aanleiding was een voorstelling voor en door de gevangenen op 27 augustus 1933 in concentratiekamp Börgermoor. Nee, kamp Dachau was op 22 maart het eerste concentratiekamp, door de nazi’s geopend na hun machtsovername op 30 januari 1933. Börgermoor opende in juni. En op 27 augustus had men blijkbaar nog de kracht voor vertier. Maar ook daar en toen al was het blijkbaar de bedoeling, dat de gevangenen zich letterlijk dood zouden werken, in de ontginning van het hoogveen. Misschien plant ik nu ten onrechte vermeldingen over van concentratiekamp Esterwegen, eveneens uit 1933. 

 Zaterdag 22 juli 2017 heb ik beide plaatsen bezocht, op de vouwfiets vanaf station Bad Nieuweschans: het monument ter herinnering aan het inmiddels spoorloos verdwenen kamp Börgermoor, en tien kilometer oostwaarts de resten van kamp Esterwegen. Kamp Esterwegen in zijn huidige staat herinnerde mij aan de Hollandsche Schouwburg als monument. Ik kan mij voorstellen, dat een bezoek aan kamp Auschwitz mij teveel zou worden. 

Ja, en? Met die data erbij wordt het des te benauwender. Blijkbaar kost het slechts enkele maanden (bijvoorbeeld gerekend vanaf een verkiezingsoverwinning) om een gemeenschap uiteen te laten vallen in “gevaren voor de samenleving, van wie je nooit meer wilt horen” en in “bewakers” wier herkenning van een medemens als zodanig verdwenen is. 

Bij het monument voor Börgermoor raakte ik (dankzij de vouwfiets) in gesprek met een oude streekbewoner (afgaande op het kenteken van zijn auto). Hitler had hem als twaalfjarige nog naar het front willen sturen, en na de oorlog stond zijn huis in Polen – dus Duitsland noch Polen wilde hem hebben. Hij herinnerde mij in uiterlijk en temperament aan Hajo Meyer. 

Die ontkenning in “van wie je nooit meer wilt horen” is ijselijk algemeen. Heel kinderlijk in het achter de lambrizering verbergen van de meterkast (mij in 1983 verteld door een meteropnemer), ijselijk volwassen in de Facebook-moord (op het meisje dat iets lelijks over haar tot dan boezemvriendin gezegd zou hebben). Maar volgens mij wordt die ontkenning echt ontwrichtend als de betrokkene toewijding kan eisen van volgelingen, als hij (altijd hij?) een openbare functie met macht heeft verworven. Oh, dan vergeet ik het verschijnsel “afrekening in het criminele milieu”, evenals gezag op godsdienstige grondslag (met nu eens als voorbeeld de collectieve zelfmoord van Jonestown). Ook ikzelf ken(de) mensen die ik nooit meer wil ontmoeten, een schamel stapje gematigder dan de vinger langs de keel. 

Wellicht heeft Marjolein Moorman (Moorsoldaat?) des te meer gelijk met haar strijdkreet “Met lef en liefde”. Laten wij het lef hebben om liefde te betonen jegens elke medemens, ook jegens politieke tegenstanders. Die zijn slechts onze concurrenten in het streven naar de macht – en die macht willen zij toch evenzeer als wij slechts gebruiken om “het heil van allen” te verwezenlijken?  

Zeker, mensen verschillen in hun kijk op de heilsstaat. Daarmee heeft de ene nog geen volstrekt gelijk, noch de andere volstrekt ongelijk. Ik heb sommigen van jullie al eens laten kijken naar een voorwerp tussen ons in. De ene ziet op een bierflesje een wervend etiket, de andere ziet slechts kleine lettertjes. Beiden hebben een deel van het gelijk, en samen kunnen ze zich een vollediger beeld vormen van het geheel. 

Wellicht is dat een mooie aanwijzing voor onze verkiezingsprogrammacommissie: kort onze invalshoek noemen (de vijf idealen waarmee ons Beginselmanifest begint), rekening houden met de wensen van “de” kiezer (de uitkomsten van het Van Waarde rapport, al zullen die niet geschikt zijn voor gebruik bij plaatselijke verkiezingen), en opschrijven wat we dus concreet willen doen als wij een deel van de macht krijgen. “Willen doen”, niet “beloven te doen”. Misschien hebben andere partijen wel bij nader inzien betere gronden om iets juist niet te willen. Dan moeten wij niet mokken, maar opgelucht zijn. (Mijn eigen voorbeeld: de ongedeelde stad. Ik zou zoeken naar wegen om bewoners huur- of inkomens-subsidie te geven. Ik zou namelijk niet willen, dat lage huur- of kooplasten leiden tot onbedoelde subsidies aan rijkeren. Ik kan het verkeerd zien.) 

Wellicht is dat ook een mooie aanwijzing voor onze kandidaten en voor de kandidaatstellingscommissie: dat de verkozenen wel naar beste inzicht dienstbaar zullen moeten zijn aan Amsterdam, maar dat ze zich niet zullen kunnen beroepen op het eigen enige en volledige gelijk. 

Wellicht is dat ook een mooie aanwijzing voor onze campagne: dat we weliswaar zullen uitdragen wat wij waarom willen, maar dat we graag de mening van de aangesprokene vernemen: wat diegene bij ons mist (of teveel ziet), of waarom die ons bepaalde punten ontraadt. Waarna wij het lef moeten betonen om onze voornemens te herzien. Niet vanuit “De klant is koning”, maar vanuit “Dit hadden we zelf eerder moeten bedenken”. 

 

Geef een reactie

* = verplicht, e-mailadres wordt niet gepubliceerd.